Basketbaltermen

Binnen basketbal zijn er vele termen. Hieronder worden de meest gangbare termen uitgelegd.

 

Airball – Beroerd schot, niets geraakt dan air. Enthousiast begroet door het publiek van de tegenstander. Indien de bal ook meteen uit gaat, loop je het risico dat een alerte coach je hierover laat nadenken (aan de kant).

Alley-oop pass – een pass ter hoogte van de ring gegooid naar een teamgenoot die de bal in zijn sprong meeneemt en (liefst hard) dunkt. Maar als je teamgenoot mist dan heb jij balverlies.

Assist – beslissende pass, van waaruit gescoord wordt. Mocht de bal onverhoopt toch gemist worden, dan telt dit niet als assist.

Back court – de eigen helft; verdedigingshelft. Als je in balbezit bent hier niet te lang vertoeven !

Back door – ideaal om overijverige verdedigers mee te foppen. De verdediger kan niet overal zijn. Maar waak voor complotten (zie help-side).

Ball-side – de kant van het veld waar de bal is. Veld over lengte doorgesneden door “helpline”. De andere kant heet help-side. Bij een goede guard wisselt deze kant nog al eens (zie dribble bril).

Baseball pass – de bedoeling is om een loepzuivere éénhandige pass over een grote afstand te geven. Techniek wordt zwaar onderschat.

Baseline – de achterlijn (onder iedere basket).

Board – lord of the board (goede rebounder). Board is weliswaar tegenwoordig meestal van glas.

Bounce pass – pass naar een teamgenoot via de grond.

Box in – als aanvaller een zo goed mogelijke positie veroveren voor de rebound.

Box out – als verdediger voorkomen dat een aanvaller een goede positie inneemt. (Wel het minste wat je kunt doen als je directe tegenstander weer eens heeft geschoten).

Bucket – het emmervormig driesecondegebied.

Buzzer beater – schot dat wordt genomen een fractie voordat het eindsignaal klinkt (van een 24-sec aanval of periode) waarbij de bal in of na de zoemer in de basket gaat. (Zie Robert Horry).

Center – De lange spelers/speelsters in het team, de nummer 5 rebounden, uitblokken, de uitgespeelde scores in de bucket voor zijn rekening nemend. De drieseconden regel is in het leven geroepen om verder wordelschieten te voorkomen.

Chest pass – een pass gegooid vanuit borsthoogte.

Coast to coast – Een verdedigingsreboud pakken, vervolgens het hele veld oversteken met de bal en zelf scoren. Als je scoort ben je een held, maar owee als de bal mis is.

Cut – met een versnelling, eventueel ook een richtingsverandering naar de basket snijden om je tegenstander af te schudden, de bal te krijgen en te scoren.

Defense – verdediging. (Dee, D). You have no D, je kunt niet verdedigen. In zijn eerste jaren in de NBA werd ene Nowitski, ‘irk genoemd. Inderdaad niet verdedigen.

Denial defense – fanatieke vorm van verdediging van je tegenstander die probeert vrij te lopen, waarbij je niet naar de bal kijkt, maar naar je tegenstander.

Double-dribble of Second dribble – een speler dribbelt, stopt en gaat opnieuw dribbelen. En dat mag niet..

Double-teaming – met z’n tweeën één tegenstander verdedigen.

Downtown (from downtown) – een schot van wel heel ver weg, meer dan een meter achter de driepuntslijn.

Dunk – iets anders dan een hoge dunk hebben. Dit is mooier dan het poorten van je tegenstander bij voetbal. Er zijn complete wedstrijden in dunken.

Elbow – de punt van de bucket ter hoogte van de vrijeworplijn en hou je eigen elbow onder de bal als je schiet !!

Face guarding – verdedigen met je rug naar de bal. Alleen aandacht voor de vrijlopende aanvaller. Kan alleen als je precies weet waar de bal is, dus tegen het innemen van de bal na een score van jouw partij. Onderdeel van pressing.

Fake – schijnbeweging. De bedoeling is alleen de tegenstander te faken, niet je teamgenoten.

Fake Pass- Doen of je passt (waardoor de tegenstander opzij gaat), maar toch zelf gaan voor de aktie.

Fast break – Zo snel mogelijk rennen en scoren voordat de tegenstander de verdediging heeft kunnen organiseren. lol hebben. Zie transition.

Fundamentals – basistechnieken. Fundamenten van het spel (bijvoorbeeld: vangen, gooien, dribbelen)

Give-and-go – een basketball één-tweetje.

Hang time – hoe lang iemand in de lucht blijft hangen. Hij heeft hang time. Slechts weggelegd voor een happy few (Michael Jordan bijv.)

Help-side – kant van het speelveld waar de bal niet is. Hiervandaan komt wel eens hulp voor je verdediger.

Hook shot – een eenhandig schot waarbij het lichaam tussen de tegenstander en de bal bevind. De arm gaat gehoekt over het hoofd en uiteindelijk uitgesterkt. Overtreffende trap is de sky hook uitgevonden door Kareem Abdul Jabbar.

Interception – steal, interceptie. Bal afpakken van tegenstander (als turn-over geturfd bij de verliezer van de bal).

In your face – mag je zeggen als je je tegenstander met een fraaie actie in zijn of haar eer hebt aangetast. Een slam over iemand heen. Een geblokt schot, een panna met straatvoetbal).

Jump shot – springen en op het hoogste punt schieten.

Outlet pass – een snelle pass vanuit de rebound naar een teamgenoot die een fast break kan gaan opzetten.

Point guard – spelverdeler, de nummer 1 op het taktiekbord.

Power forward – beweeglijke grote speler/speelster, die zowel inside als wat verder van de basket kan spelen.

Rebound – bal die terugkomt van het bord of basket. Is belangrijker dan menig schutter denkt. Begin van de fastbreak.

Screen – scherm, blok. Medespeler, die je de ruimte geeft snel langs hem te komen, waarbij hij/zij de doorgang van jouw verdediger even ophoudt.

Shooting forward of small forward. Speler (de nummer 2) die vaak de schoten voor zijn rekening neemt.

Small forward – Speler (de nummer 3) van behoorlijke lengte, meestal erg beweeglijk, goede schutter.

Steal – vergelijkbaar met interceptie, de bal wordt onderschept uit een dribbel of bij het passen.

Strong side – Ball side – Lange kant van het veld waar de bal is. Andere kant heet Weak side voor de aanval.

Travel – overtreding van de loopregel. Wordt enorm gewaardeerd door het publiek van de tegenstander.

Turn over – lullig verlies van de bal, waardoor de tegenpartij in balbezit komt.